Over hoe je denken geprogrammeerd is en hoe dat zo gekomen is

In mei heb je in mijn blog over wat jouw geluksgevoel bepaalt kunnen lezen dat 25% van je geluksgevoel wordt bepaald op basis van aangeleerd gedrag en nog eens 20% op basis van eigen keuzes. Maar hoe komt dit tot stand?

In de eerste 25 jaar van je leven vindt je determinatie plaats. Voor een deel is dit genetisch bepaald. Dit heb je van je ouders gekregen, met invloeden van wat je hebt meegemaakt in de baarmoeder. Dit wordt wel ‘nature’ genoemd. Daarnaast zijn er je psychologische determinatie en je omgevingsdeterminatie. Wat en hoe we denken is het resultaat van onze afkomst, geslacht, onze opvoeding, de mensen om ons heen, van onze sociale, politieke en economische achtergrond, van de boeken die we lezen, onze ervaringen en de informatie die we hebben verzameld. Al die impulsen maken hoe je brein nu functioneert. Oftewel, ons denken is geprogrammeerd.
Dit wordt wel je conditionering of ‘nurture’ genoemd. In mijn blog over hoe fijn het is dat je geen idee hebt wat je doet leg ik uit hoe 95% van je gedrag voortkomt uit automatische processen in je brein. Deze automatische processen komen vanuit je onbewuste.
De combinatie van nature en nurture is je referentiekader en vormt je karakter. Hierin liggen je overtuigingen of paradigma’s. En ook je vooroordelen, je mening en je ‘onderbuikgevoel’.

Alles wat je ervaart bekijk je door deze paradigma’s en daardoor worden je ervaringen gekleurd. Hierdoor bevestigen je ervaringen vaak je overtuigingen. Als iets gaat zoals je het verwachtte denk je ‘zie je wel’ en als het anders gaat denk je dat het een toevallige uitzondering is.
Je overtuigingen, hoe onterecht of onzinnig ook, worden dus versterkt in een eindeloze spiraal. Gebeurtenissen die gepaard gaan met een hoge activiteit van de amygdala (opwinding, angst, etc) worden beter opgeslagen (zie mijn blog over je angsten). En kleuren je nieuwe ervaringen dus sterker.

Je wordt geboren ‘zonder’ je bewuste. Je hebt nog niet de door filosoof Søren Kierkegaard gestelde ‘verhouding tot jezelf’ (zoals besproken in mijn blog over waarom je zou willen veranderen). Je kent op dat moment maar één wereld, één werkelijkheid. Er is maar één soort mensen: jouw soort mensen. Leugens bestaan niet, onenigheid ook niet. We zijn ultiem gelukkig en kennen geen ongeluk. Er wordt voor ons gezorgd. Dat wat je meemaakt en hoe je het meemaakt is de standaard. Je hebt geen vergelijkingsmateriaal en dus ben je er intens tevreden mee. Dit wordt wel non-dualisme genoemd.
Alleen je bewuste kan gedachten accepteren of afwijzen en dus wordt alles wat je ziet, hoort of ervaart voor waarheid aangenomen. Het kader wordt gezet. Je gaat denkbeelden van anderen tegenkomen, uniformen, keurslijven, en standaarden, je gaat je aanpassen naar de groep (want je hebt een natuurlijke angst er niet bij te horen). Dit creëert onder meer je belemmerende overtuigingen, je remmingen, je normen en waarden. Een paradigma of overtuiging heb je dus niet zelf bedacht, het is er in gestopt. En hoe eerder, hoe beter het blijft plakken, want in het begin heb je nog geen referentie en is dus alles waar.
Naarmate je ouder wordt ontwikkel je je bewustzijn. Je bewuste kan kiezen, dingen afwijzen of accepteren, creëren. In tegenstelling tot je onderbewuste dat alles altijd accepteert als waarheid en dus niets afwijst.

De invloed van je genetische factoren neemt relatief gezien steeds meer af naarmate je ouder wordt. Al vanaf de conceptie begint de omgeving op ons in te werken.
Als je moeder tijdens de zwangerschap van jou heeft gerookt, alcohol heeft gedronken of stress heeft gehad, kan dat invloed hebben gehad op jouw brein of lichaam. Ook door bepaalde voedingsstoffen of een gebrek daaraan kan er een verschil zijn opgetreden. Zelfs geluid dat doordringt in de baarmoeder kan effect hebben op je aangeboren eigenschappen. Tegelijkertijd zijn er allerlei eigenschappen in je brein die van invloed kunnen zijn op je geboorte. Een vroeggeboorte, een zuurstoftekort of andere complicaties tijdens de geboorte zijn heel vaak een gevolg van een afwijking in het brein. De schade die het kind oploopt tijdens de geboorte is dus niet het gevolg van de complicaties bij de geboorte, maar de oorzaak van die complicaties.

In je eerste vier jaar wordt de hoeveelheid stresshormoon die je lichaam aanmaakt bepaald. Als je al jong blootgesteld wordt aan stressvolle omstandigheden, neemt het brein aan dat dit blijkbaar een normale situatie is, waardoor je vanaf dat moment veel meer stresshormoon produceert. Als je moeder onder stressvolle omstandigheden heeft geleefd, heb je dat al in de baarmoeder meegekregen. Na de Tweede Wereldoorlog stonden kinderen op ‘oorlog’ ingesteld. Dit blijkt nauwelijks omkeerbaar. Zo is er een gen voor een groeihormoon, dat in de hongerwinter door moeders is gemodificeerd. Hun kinderen blijken op volwassen leeftijd een veel hogere kans op obesitas te hebben. Die kinderen lijken in de baarmoeder voorbereid te zijn op voedselschaarste. In de Derde Wereld is dat nu een groot probleem aan het worden.
In hoeverre jij een stresskip bent is dus deels aangeboren, deels aangeleerd.

De prefrontale cortex, het deel van je brein waarmee je beslissingen neemt, ontwikkelt zich het langst door. Nog tot het vierentwintigste levensjaar. Dat betekent dat tot die tijd de omgeving alle kans heeft invloed uit te oefenen op een van de meest belangrijke delen van je brein.
Juist omdat daar je morele kaders worden gezet en je impulsen worden geremd is het zo belangrijk tot die leeftijd voorzichtig te zijn met bijvoorbeeld gevangenisstraf. Maar ook heftige gebeurtenissen (tot aan chronische stress, verwaarlozing, misbruik, te weinig of verkeerd voedsel) hebben tot die leeftijd een veel meer bepalende impact in de vorming van het karakter, het gedrag dan daarna.
Heftige gebeurtenissen in de kinderjaren kunnen zelfs overerven. Waardoor ze van ‘omgeving’ naar ‘aangeboren’ verhuizen.

De conditionering gaat een steeds belangrijkere rol spelen in de neurowetenschappen. Het klassieke onderscheid tussen ‘nature’ (je DNA) en ‘nurture’ (je opvoeding, je conditionering) verdwijnt daarmee steeds meer naar de achtergrond. Het gaat om de wisselwerking tussen je aanleg (je aangeboren eigenschappen) en je omgeving.
Je genetische basis is bijvoorbeeld bepalend in hoeverre je de religie van je omgeving (meestal je ouders) overneemt en accepteert.

Die wisselwerking bepaalt ook het verschil in geluksgevoel tussen eeneiige tweelingen die zich met een gelijk DNA toch anders ontwikkelen. Zelfs als ze in hetzelfde gezin opgroeien, bij elkaar in de klas zitten en samen hun vrije tijd besteden. De minimale andere ervaring in ieder moment maakt een andere conditionering en een andere beleving. En een anders gekleurde volgende beleving.

De omgeving kan zelfs invloed hebben op je DNA. Er zijn genetische verschillen bekend tussen families uit bepaalde regio’s. Een cultuur die sterk gericht is op hiërarchie maakt dat je meer gevoelig bent voor hoe je naar mensen kijkt en hoe er naar je gekeken wordt. Dat gevoel kan je doorgeven aan je kinderen en valt daarmee bij de volgende generatie in de categorie ‘aangeboren’, waar het bij jou nog vanuit je omgeving kwam. Dit kan doorwerken naar het zelfvertrouwen van die volgende generatie en laat zelfvertrouwen nou weer een factor zijn die veel invloed heeft op je succes en je geluk.

Door de jaren heen worden mensen steeds slimmer. De norm voor IQ-testen (100) moet telkens naar boven worden bijgesteld met zo’n drie tot vijf punten per decennium. De Nieuw-Zeelandse filosoof James Flynn deed hier voor het eerst onderzoek naar. Het heet dan ook het Flynn effect: doordat mensen intelligenter worden, hoeven de volgende generaties minder te ontdekken wat al ontdekt is, er is meer kennis beschikbaar en er is beter onderwijs. Samen met erfelijkheid en betere voeding en hygiëne zorgt dit er voor dat de omgeving beïnvloed wordt met meer intelligentie, waardoor het IQ van de volgende generatie weer wordt verhoogd. Een opwaartse spiraal.

In de psychologie, maar zeker ook bij werving en talentontwikkeling wordt veel gekeken naar de volgende vijf dimensies om ons karakter te beschrijven:
1. Extraversie versus introversie
2. Uitdagend versus aanpassend
3. Zorgvuldigheid (of consciëntieusheid) versus onzorgvuldigheid
4. Emotionele stabiliteit versus emotionele instabiliteit
5. Intellectuele autonomie versus afhankelijkheid
De erfelijkheid van deze persoonlijkheidskenmerken wordt geschat op tussen de 33 en 65 procent. De rest wordt dus gevormd na de geboorte. Het woord ‘karakter’ komt van het Griekse woord voor ‘ingeslepen’. Het karakter wordt naast bovenstaande vijf dimensies ook gedefinieerd door zaken als creativiteit, spiritualiteit, seksualiteit (en seksuele voorkeur) en het IQ. Allemaal eigenschappen die weinig veranderen tijdens het leven en stabiliseren op middelbare leeftijd.
Genetische factoren zijn relevant bij jongeren, terwijl de omgeving het hele leven effect kan hebben.

Een week of vijf geleden schreef ik over hoe ingewikkeld het is om de gedachten van een ander te volgen en het ‘juiste’ antwoord te geven, omdat we allemaal een anders gekleurde bril hebben. Nu ik bovenstaande bij elkaar bedacht heb is het helemaal een wonder dat het me uiteindelijk gelukt is. Mensen zijn rare dieren. Een fascinerende soort.

Groeten,

Frank

NB: delen van deze blog had ik reeds gepubliceerd op 22 juli, maar staan nu in vernieuwde context. Deze post is wederom een deel van mijn nieuw te verschijnen boek ‘En nu echt!’. Blijf me volgen om op de hoogte te blijven van de wording van dit nieuwe werk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *