Over de wisselwerking tussen je aanleg en je omgeving

Ons DNA is een product van eigenschappen die we van onze ouders mee hebben gekregen. Ik heb het vaak over ‘aangeboren’ eigenschappen. Naast die aangeboren eigenschappen heb ik het dan over de ‘omgeving’. In mijn blog begin mei beschreef ik nog hoe 30% van je geluksgevoel aangeboren is en hoe 25% door verschillen in levensomstandigheden (toeval en omgeving) wordt bepaald.
Inmiddels ben ik weer wat verder met mijn onderzoek voor mijn tweede boek ‘En nu echt!’ en kom ik er achter dat de factor ‘omgeving’ een zeer interessante is.

Al vanaf de conceptie begint de omgeving op ons in te werken. Daarmee is de term ‘aangeboren’ versus de ‘omgeving’ al meteen wat discutabel.
Als je moeder tijdens de zwangerschap van jou heeft gerookt, alcohol heeft gedronken of stress heeft gehad, kan dat invloed gehad hebben op jouw brein of lichaam. Ook door bepaalde voedingsstoffen of een gebrek daaraan kan er een verschil optreden. Zelfs geluid dat doordringt in de baarmoeder kan effect hebben op je aangeboren eigenschappen. Tegelijkertijd zijn er ook allerlei eigenschappen in je brein die van invloed kunnen zijn op je geboorte. Een vroeggeboorte, een zuurstoftekort of andere complicaties tijdens de geboorte zijn heel vaak een gevolg van een afwijking in het brein en de schade die het kind oploopt tijdens de geboorte is dus eigenlijk helemaal niet het gevolg van de complicaties bij de geboorte, maar van de oorzaak van die complicaties.
Vanaf de geboorte zijn er veel meer omgevingsfactoren die invloed hebben. Je brein wordt geprogrammeerd. Dit noemen we conditionering. Daar schreef ik in april al over. Opvoeding, ervaringen, gebeurtenissen zorgen allemaal voor verdere programmering van je brein. Hoeveel invloed dit uiteindelijk allemaal heeft, wordt in beginsel bepaald door je genetica. Je aangeboren eigenschappen bepalen hoe je de dingen ervaart. Maar iedere ervaring bouwt weer voort op de vorige dus je conditionering tot dan toe bepaalt weer hoe je nieuwe ervaringen gekleurd worden. Je ziet de wereld door een gekleurde bril en die kleur wordt steeds intenser.
Daarmee neemt de invloed van je genetische factoren relatief gezien steeds meer af naarmate je ouder wordt. De conditionering gaat een steeds belangrijkere rol spelen. Het klassieke onderscheid tussen ‘nature’ (je DNA) en ‘nurture’ (je opvoeding, je conditionering) verdwijnt daarmee in de neurowetenschappen steeds meer naar de achtergrond. Het gaat om de wisselwerking tussen je aanleg en je omgeving.
Je genetische basis is bijvoorbeeld bepalend in hoeverre je het geloof van je omgeving (meestal je ouders) overneemt en accepteert.

De prefrontale cortex, het deel van je brein waarmee je beslissingen neemt, ontwikkelt zich nog tot het vierentwintigste levensjaar. Dat betekent dat tot die tijd de omgeving alle kans heeft invloed uit te oefenen op een van de meest belangrijke delen van je brein.

Die wisselwerking bepaalt ook het verschil in geluksgevoel tussen eeneiige tweelingen die zich met een gelijk DNA toch anders ontwikkelen. Zelfs als ze in hetzelfde gezin opgroeien, bij elkaar in de klas zitten en samen hun vrije tijd besteden. De minimale andere ervaring in ieder moment maakt een andere conditionering en een andere beleving.

De omgeving kan zelfs invloed hebben op je DNA. Er zijn genetische verschillen bekend tussen families uit een bepaalde regio. Een cultuur die sterk gericht is op hiërarchie maakt dat je meer gevoelig bent voor hoe je naar mensen kijkt en hoe er naar je gekeken wordt. Dat gevoel kan je doorgeven aan je kinderen en valt daarmee bij de volgende generatie in de categorie ‘aangeboren’, waar het bij jou nog vanuit je omgeving kwam. Dit kan doorwerken naar het zelfvertrouwen van die volgende generatie en laat zelfvertrouwen nou weer een factor zijn die veel invloed heeft op je succes en je geluk.

In de eerdergenoemde blog uit mei citeerde ik het eerste couplet van John Mayer’s ‘In the blood’. Dat eerste couplet gaat over de eigenschappen die John van zijn moeder heeft meegekregen.

How much of my mother has my mother left in me?
How much of my love will be insane to some degree?
And what about this feeling that I’m never good enough?
Will it wash out in the water, or is it always in the blood?

In mei koppelde ik dit vooral aan de aangeboren eigenschappen. Nu ik het teruglees zou dit ook zomaar vanuit de opvoeding kunnen zijn, al koppelt Mayer het natuurlijk aan de bloedlijn.
in het tweede couplet doet hij hetzelfde met eigenschappen van zijn vader:

How much of my father am I destined to become?
Will I dim the lights inside me just to satisfy someone?
Will I let this woman kill me, or do away with jealous love?
Will it wash out in the water, or is it always in the blood?

Hij vraagt zich af hoeveel eigen keus hij heeft. In het refrein verwoordt hij deze twijfel als volgt:

I can feel love the I want, I can feel the love I need
But it’s never gonna come the way I am
Could I change it if I wanted, can I rise above the flood?
Will it wash out in the water, or is it always in the blood?

In het laatste couplet laat Mayer zien dat het ook tegengesteld kan werken:

How much like my brothers, do my brothers wanna be?
Does a broken home become another broken family?
Or will we be there for each other, like nobody ever could?
Will it wash out in the water, or is it always in the blood?

Juist vanwege het gebroken gezin zullen ze er misschien meer voor elkaar zijn dan ieder ander.
En met nog tweemaal het refrein besluit hij deze neurowetenschappelijke bespiegeling.

De eigen keus en de ‘vrije wil’ is een belangrijk punt. Dit heb ik al meerdere malen aangehaald en hier zal ik in een van de komende blogs nog verder op in gaan. Dit heeft een sterk verband met je conditionering. Want als je ervaringen en je kennis uit het verleden de kleur en de intensiteit van je bril bepalen, in hoeverre maak je dan nog echte objectieve, vrije keuzes?

Groeten,

Frank

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *